EN  |  FR

Theorieën over dikker worden

afbeelding bij Theorieën over dikker worden

Waarom blijft de een met gemak op gewicht en is het leven voor de ander één lange worsteling met overgewicht? Zal wel iets met aanleg en doorhappen te maken hebben, denk je dan. Toch willen we de spade hier een stukje dieper steken en kijken naar een aantal theorieën die zijn voortgekomen uit de zogeheten ‘set-point’ theorie. Theorieën die mogelijk een verklaring bieden waarom Henk zijn vetpercentage prima binnen de perken weet te houden en Ingrid niet. Of andersom.

Mensen indelen in strak gedisciplineerden en willoze overeters, laten we graag over aan hardcore bootcampers en drillsergeanten. Hun wereldbeeld is er een van schuld en boete, waar de zweep volcontinu moet knallen om de pondjes van het lijf te jagen. In werkelijkheid echter wordt je gewicht doorgaans door het lichaam zelf redelijk strak in de hand gehouden, en is iemand van 30 jaar op zijn 50e niet ‘ineens’ 45 kg spek rijker. Dat zou theoretisch namelijk gebeuren wanneer de persoon in kwestie dagelijks 50 kcal – de energetische waarde van een kleine appel – meer zou eten dan hij/zij verbrandt. De gemiddelde zestiger met welvaartsbuikje is echter hooguit 15-20 kg zwaarder dan zijn jonge, sportieve zelf van midden twintig, en dat komt heus niet omdat hij al die jaren op de calorietjes heeft gelet. Er zijn dus andere, minder bewuste mechanismen in het spel. 

De set-point theorie

Binnen de setpointtheorie wordt er vanuit gegaan dat er een regelcentrum is in je hersenen dat regelt wat je vetmassa moet zijn, een soort vetthermostaat. Deze zogeheten lipostatische theorie of vetstabiliteitstheorie wordt ondersteund door de ontdekking van het hormoon leptine, in de jaren ’90, dat bekendheid heeft gekregen als verzadigingshormoon. Stel in je brein is vastgelegd dat je vetmassa ongeveer 15% moet zijn. Bij een vetmassa groter dan 15%, maakt je vetweefsel meer leptine aan. Het regelcentrum neemt verhoogde leptinespiegels waar en zorgt voor minder honger, een sneller en langer gevoel van verzadiging en een hogere verbranding. Het resultaat is afname van de vetmassa.

Bij een vetmassa kleiner dan 15% wordt er minder leptine afgegeven, de trek neemt toe en de vetmassa eveneens. Het lipostatische model heeft een sterke fysiologische basis. Zo neemt de vetmassa snel toe nadat je door ziekte of een hongerdieet veel vetmassa bent verloren en verklaart waarom het langdurig vasthouden van een heel laag vetpercentage een zware opgave is. De zwakte van het lipostatische model is dat het model geen verklaring geeft voor de toename van het aantal dikke mensen in de laatste drie decennia in onze maatschappij.

De aanwas van vetmassa hangt kennelijk niet alleen af van je fysiologie, maar ook van omgevingsfactoren. Het is de settling-point theorie die de verklaring voor de toename van dikke mensen zoekt in onze dikmakende omgeving. 

De settling-point theorie

Binnen de settling-point theorie is je hoeveelheid vetmassa een passieve afspiegeling van  energie-inname en –gebruik, waarbij omgevingsfactoren een belangrijke rol spelen. Onze  omgeving stimuleert om calorierijke grote porties te eten en maakt bewegen minder nodig. Het resultaat is meer eten en minder bewegen en uiteindelijk een toename van je vetmassa. 

De extra vetmassa moet echter worden meegesleept en dat stimuleert de aanmaak van spiermassa en verhoogt het energiegebruik. De hoeveelheid vetmassa neemt toe tot het moment dat de energie-inname weer in evenwicht is met het energiegebruik. De settling-point theorie verklaart de toename van mensen met overgewicht, maar heeft ook zwakke kanten. Zo blijkt uit studies gedaan in de jaren ‘50 en ’90 van de vorige eeuw dat een snelle afname van vetmassa voor een bijna onbedwingbare eetlust en smulpartijen zorgt.

Wanneer volgens de settling-point theorie energie-inname en energiegebruik ‘passief’ worden gereguleerd – verhoogd energiegebruik door extra kilo’s -  dan zou na de periode van vasten er geen schransperiode ontstaan, maar zou de vetmassa traag toenemen, met het klimmen der jaren.   

De omgeving bepaalt de uiting van onze fysiologie

Het dual intervention point model combineert de sterke kanten van beide modellen. Binnen dit model gelden er twee set-points voor vetmassa (vandaar ook de naam dual intervention point); er is een set-point voor een minimale (ondergrens) en maximale (bovengrens) hoeveelheid vetmassa. De omgeving bepaalt welk set-point het meeste tot uiting komt. Wanneer de hoeveelheid vetmassa buiten de grenzen komt, treden fysiologische controlemechanismen in werking.

De toename van het aantal mensen met overgewicht wordt volgens het model verklaard doordat bij veel mensen het bovenste set-point in een zone ligt waarbij iemand dik is. Stel het onderste set-point ligt bij 10% vetmassa, maar het bovenste set-point ligt bij 35% vetmassa (een set-point waarbij een man duidelijk dik is). De fysiologische regelmechanismen treden dan pas in werking als iemand al dik is. Er is bij dikke mensen een hoger set-point waarbij regelmechanismen in werking treden. Wanneer je huidige vetmassa bij je hoogste set-point ligt, kun je je omgeving inrichten om meer richting je lage set-point te bewegen. Je kunt bij je lagere set-point komen door: twee tot drie keer per week zware krachttraining van grote spiergroepen te combineren met matig intensieve maar dagelijkse duurinspanning; een eiwitrijke, maar vetarme voeding met veel groente, fruit en volkoren producten te eten; en de McDonalds, Burgerking, Smullers, Domino’s etc zoveel mogelijk te vermijden. Maar makkelijk is het niet als je bovengrens een stuk hoger dan dat van je buurman ligt.

Dossiers: