EN  |  FR

Beetje lichaamsvet goed voor spieren

afbeelding bij Beetje lichaamsvet goed voor spieren

Een beetje onderhuids vet is goed voor je spieren. Die conclusie trekken onderzoekers van Colorado State University uit hun proeven met muizen. Inderdaad, muizen zijn geen mensen. Maar toch beschouwen wij het Amerikaanse onderzoek als een stille wenk voor al die overenthousiaste bodybuilders die het liefste continu rondlopen met een vetpercentage van minder dan drie procent.

Een beetje bodybuilder gruwt van lichaamsvet. Zo vurig als het verlangen is naar meer spieren, zo groot is de afkeer van lichaamsvet. Veel bodybuilders vinden elk stukje van hun lichaam dat ze niet kunnen aanspannen lelijk. En niet zelden is dat niet genoeg: ze willen de strepen op hun spieren kunnen zien. Ze willen hun vetpercentage laten zakken tot onder de vier procent.

Ongezond bezig

Met dat extreme lichaamsideaal is op zichzelf niets mis – zolang je dat maar reserveert voor wedstrijden of photo-shoots en je daarna je vetpercentage weer laat toenemen. Maar als je ernaar streeft om continu met zo’n extreem laag vetpercentage rond te lopen, dan ben je niet gezond bezig. En, als je het onderzoek van Michelle Foster en haar medewerkers van Colorado State mag geloven, is dat ook niet goed voor je spieren. Foster bestudeert ‘goed’ en ‘slecht’ vet. Als je meer calorieën in je lichaam stopt dan het verbrandt, dan bouw je uiteindelijk lichaamsvet op. En dat is eerlijk gezegd een goede zaak. 

Metabool afvoerputje

Als glucose te lang en in te hoge concentraties in de bloedbaan blijft circuleren, wordt het giftig. Het kan eiwitten gaan aantasten, en als gevolg daarvan kunnen bijvoorbeeld je bloedvaten beschadigen of kan je netvlies troebel worden. Als het lichaam glucose kan opslaan in vetweefsel, dan kan het in ieder geval geen vitale eiwitten beschadigen. Vetweefsel lijkt als het ware een ‘metabool afvoerputje’ te zijn. Verdraaid nuttig.

Als vetreserves in de buikholte groter worden, dan worden ze op een gegeven moment ‘slecht’. Grote klonten buikvet vergoten de kans op zo ongeveer elke denkbare chronische ziekte. Dat komt waarschijnlijk omdat buikvet ontstekingsfactoren als tumor necrose factor-alpha en interleukines aanmaakt, die op hun beurt spiercellen doof maken voor anabole hormonen, suikerziekte in de hand werken en kankercellen stimuleren. Maar onderhuids vet, dan is een ander verhaal…

Vetlaagje beschermt spieren

Forster en haar medewerkers haalden op de poten van hun proefdieren alle onderhuidse vetcellen weg – en zagen tot hun verrassing dat in de maanden daarna de spieren op de poten van de proefdieren daardoor minder goed gingen functioneren. “Onderhuids vet beschermt de spieren die daaronder liggen”, vertelde Foster in een persbericht. “Haal je dat vet weg, dan zie je dat het lichaam vet gaat opslaan in de spieren. Bovendien verliezen de spieren hun gevoeligheid voor insuline.”

De beide processen die Foster noemt zijn negatief. Spierweefsel dat veel vet opslaat is minder goed van kwaliteit. Het is minder sterk en kwetsbaarder voor blessures. Spieren die slecht reageren op insuline nemen moeilijker voedingsstoffen op en groeien moeizamer. Hoe het door Foster ontdekte effect in elkaar steekt is nog niet helemaal helder, maar duidelijk is dat spieren een beetje onderhuids vet nodig hebben om optimaal te functioneren.

Echt nodig: 3 tot 4 procent lichaamsvet

Fysiologen weten al jarenlang dat het menselijk lichaam een kleine hoeveelheid lichaamsvet nodig heeft om goed te functioneren. Handboeken stellen dat mannen echt in de problemen komen als hun vetpercentage onder de 3-4 procent komt. Mentale vermoeidheid, snel last van kou, blauwe plekken en een droge huid zijn de eerste symptomen van een te laag vetpercentage, net als het verdwijnen van de zin in seks, een verminderde weerstand tegen ziekten of pijnlijke voeten, waarschijnlijk als gevolg van het verdwijnen van het onderhuidse vetweefsel in de voetzool. Over die effecten lees je ook wel eens op de bodybuildingboards, waar atleten vertellen over hun praktijkervaringen met een laag vetpercentage.

Op de lange termijn kan een te laag vetpercentage zelfs leiden tot ernstige schade aan het zenuwstelsel, het skelet en de organen. Er zijn zelfs wel eens gevallen geweest waarin mensen overleden door een te laag vetpercentage. Daarover is op de boards gelukkig nog niks te vinden.

Handboeken melden vaak dat vrouwen al gezondheidsproblemen kunnen krijgen als hun vetpercentage beneden de 11-13 procent komt. Bij dat vetpercentage stopt hun menstruatie, maar van al die andere symptomen die we eerder noemden is dan nog geen sprake. 

Adipokines

In de jaren tachtig dachten onderzoekers nog dat de gezondheidseffecten van een te laag vetpercentage het gevolg waren van een tekort aan vetzuren. Het lichaam zou niet alleen uit de voeding, maar ook uit de vetlagen continu vetzuren halen voor de synthese van hormonen en andere essentiële verbindingen. Die theorie was te simpel, zeggen onderzoekers nu. Zij zien onderhuids vet niet meer uitsluitend als een ‘metabool afvoerputje’, maar ook als een orgaan dat onmisbare signaalstoffen afgeeft. Adipokines, heten ze.

Een grondig bestudeerde adipokine is het in de jaren negentig van de vorige eeuw ontdekte leptine. Lichaamsvet produceert leptine, maar die afgifte wordt minder naarmate dat vetweefsel kleiner wordt. Als er te weinig leptine circuleert, werkt het immuunsysteem niet meer optimaal en stokt de aanmaak van hormonen als testosteron en estradiol. Het zou zomaar kunnen dat de gezondheidseffecten van een extreem laag vetpercentage het gevolg zijn van een lage aanmaak van leptine – of van een andere adipokine. Er zijn er al heel veel ontdekt. Een overzichtsartikel uit 2012 telde er maar liefst zeshonderd. En daar zullen er heel wat bij zitten die voor je lichaam belangrijk zijn…

Dossiers: